Mijn start in Delft en een ambitieus afstudeerplan voor Amsterdam  

Bijna dertig jaar geleden begon ik als architect. Ik vind het leuk om terug te kijken. Waar begon mijn belangstelling voor architectuur ?  Wat waren mijn fascinaties op de TU-Delft en wat was mijn afstudeeronderwerp. Lees gerust mee met mijn terugblik  

Deel 1 : Studeren in Delft

Voor mij begon in 1982 de reis als architect bij mijn keuze om ‘architectonisch ontwerpen’ op de – toen nog – Technische Hogeschool in Delft te gaan studeren. Op het gymnasium was tekenen – als experiment – een van mijn eindexamenvakken. Het was de combinatie creativiteit en techniek die mij aansprak. Met de keuze voor de TH maakte ik ook kennis met Delft. Vanuit mijn studentenkamer aan de Hertog Govertkade 2 keek ik uit op het imposante legermuseum Armamentarium en had ik een doorzicht op de Oude Delft, een van de mooie grachten. Terugkijkend heeft deze woonplek mij op een hele natuurlijke manier kennis laten maken met het fenomeen stad en haar vele betekenissen. Donald Olsen zegt het in ‘De stad als kunstwerk’ heel mooi: ‘de stad als monument, als huis, als oord van plezier en als document’. Zo leerde ik Delft kennen. Eerst als woonstad, maar al heel snel als uitgaansplek. Zo bracht ik voor Het Waagtheater haar aktiviteitenkalender rond en verdiende letterlijk de kaartjes. Dat maakte, dat ik erbij was toen in 1983 Brigitte Kaandorp bij het Cameretten Festival zowel de jury- als de publiekprijs verwierf.

Delft was een klassiek gegroeide organische stad. Laagje voor laagje is de geschiedenis van de stad afleesbaar. Met de Oude en Nieuwe kerk als herkenningspunten. De Beestenmarkt, de Brabantse Turfmarkt en de Grote markt. Allemaal plekken van samenkomst. De TU-wijk was eigenlijk het tegendeel van het oude Delft. Hier domineerden de opvattingen van de functionele stad in een monocultuur van onderwijsgebouwen van de Technische Universiteit. Als er op deze campus al sprake was van herbergzaamheid dan vonden wij die in de gebouwen zelf. Vaak waren deze individuele gebouwen een expressionistische uitdrukking van de studie zelf. Zelf had ik het geluk te mogen studeren in het faculteitsgebouw Bouwkunde van het architectenbureau Van der Broek en Bakema. Hoewel het een gebouw is uit 1970 en voortkomt uit de functionalistische, nieuw zakelijke traditie was het, door de open, vrij indeelbare centrale binnenstraat, een aangename plek waar mensen elkaar ontmoetten. Van binnen had het alles van een stad. In de woorden van de architect Jaap Bakema:

 “De straat begint bewoonbaar te worden. Er wordt nog wat willekeurig geplakt, maar de plakkaten en zelfs wandweefsels beginnen hun maat te krijgen (vooral die van de actiegroepen doen het meestal goed!). Er wordt getelefoneerd, de kantine vindt daar zijn uitloop, evenals naar het buitenterras. De mededelingen over projectgroepen, Veringa’s plannen [en] Marx’s bedoelingen, een Stylos boekenshop, democratie als middel voor onderwijsvernieuwingen (en omgekeerd!) vinden hun plaats wel, evenals het tafeltennis der pauzerende actiegroepleden’ (Bouw 23, 1971 p. 90).

Terugkijkend op de warmte van het Oude Delft en de winderige Campus van de TU-Delft heeft mijn gevoel en waardering voor de organisch gegroeide stad zich hier verdiept. Hier krijgt de stad een meerwaarde door de afleesbaarheid in haar historische karakter. De veelheid van opdrachtgevers hebben diversiteit en kleur gegeven, aan zowel de afzonderlijke gebouwen, als de onderlinge samenhang in de grachten, de straten en de pleinen van de stad. Daartegenover stond de monocultuur van de Campus met haar solistische gebouwen.

Architectuur is in zichzelf een wereldreis. Zij is verbonden met de manier waarop mensen wonen, werken en recreëren. Zij is een uitdrukking van de cultuur van een land, een gemeenschap en van de mensen daarbinnen. Op mijn reis aan de universiteit ging ik mee in de avonturen van prof. dr. Franziska Bollerey, hoogleraar sociaal economische geschiedenis van de architectuur en stedenbouw. Drie jaar mocht ik met haar samenwerken als student-assistent. Het stelde mij in de gelegenheid om in 1986 een van de grote metropolen te bestuderen. Samen met collega studenten maakten wij een studiereis en bijbehorende reisgids (432 pagina’s!) naar New York. Er is nauwelijks een betere manier te bedenken om deze immense en dynamische stad te leren kennen. Het werd een zwerftocht van veertien dagen waarin alle facetten van de stad aan de orde kwamen: the city’s history, the ethnic areas, the waterfront, financial New York, the skyscrapers & urban design, open space planning, the outskirts, infrastructure en the urban renewal. De reisgids doorbladerend realiseer ik mij nu dat wij New York bezochten in een tijd dat het fenomeen ‘stad’ nog maar net was begonnen aan haar herwaardering. Bij een recent bezoek met Francine Houben, de architect die met haar ontwerp de New York Library een nieuwe toekomst gaat geven, was de stad New York bijna onherkenbaar doorontwikkeld. Het zou enkel als studieopdracht al betekenis vol zijn om de excursie uit 1986 te vergelijken met de stad van vandaag en ons daarbij af te vragen wat de krachten zijn achter deze revitalisering en haar gevolgen.

Het deel uitmaken van het bestuur van de studievereniging Stylos zou mij verder op weg helpen in een zoektocht naar ‘het onzichtbare in architectuur’. Drie jaar lang (1985-1988) onderzochten wij met elkaar de essentie van architectuur. Intrigerend is daarin dat architectuur niet altijd met een grote ‘A’ behoeft te worden geschreven. Dat de ontwikkeling van de stad niet het alleenrecht is van architecten, maar juist haar betekenis krijgt door de inzet van een veelvoud van actoren, waaronder niet in de laatste plaats haar burgers en ondernemers. Dat zij met elkaar zorg kunnen dragen voor de diversiteit en de integratie van functies die maken dat een stad leefbaar en dynamisch is. Dat het wonen in de stad haar bewoners een structuur van geborgenheid kan bieden, maar juist ook kan uitnodigen om met elkaar actief te zijn. Architectuur is meer dan de uiterlijke representatie van de functie. In essentie gaat het er bij architectuur juist om dat de inhoud van de functie zijn betekenis krijgt, waardoor deze zich ten volle kan ontwikkelen. Wat begon als een zoektocht heeft later zijn weerslag gekregen in een prestigieuze publicatie ‘The Invisible in architecure’ van Ole Bouman en Roemer van Toorn, uitgegeven in de reeks Academy Editions van Ernst & Sohn in London.

1991, een gerechtshof als afstudeerplan

Met dezelfde Roemer van Toorn ben ik afgestudeerd op een nieuwbouw ontwerp voor het Paleis van justitie, het gerechtshof aan de Prinsengracht in Amsterdam. Juist bij publieke gebouwen laat de overheid en de aan haar gelieerde functies haar ware gezicht zien. Dat kan een uitdrukking van macht zijn, maar ook een van transparantie en openheid. Architectuur kan hierin het verschil maken. Zo stond in de architectuur van de vroegere rechtbanken de ‘almacht’ van het justitieel gezag in onze rechtstaat centraal. Vaak kreeg dat in de rechtbank zijn vorm in een theatrale monumentaliteit van het gerechtsgebouw zelf. Een extreem voorbeeld hiervan is het intimiderende Justitiepaleis in Brussel, van de Belgische architect Joseph Poelaert, waarvoor in 1867 de eerste steen werd gelegd. De architect zelf zou de oplevering van zijn gebouw in 1883 niet meer meemaken. En heeft dus ook geen kennis kunnen nemen van de niets aan duidelijkheid over latende kritiek van zijn stadsgenoot collega-architect Victor Horta: “Cyclopische architectuur ontsproten aan de verbeelding van een dwerg, zonder kennis van de menselijke schaal.”

In ons land was het niet zo erg, maar ook het Amsterdams gerechtshof aan de Prinsengracht, was gehuisvest in een uit 1665 daterend monumentaal gebouw dat van origine een weeshuis was en zich in haar vorm afkeert van de stad en haar burgers. Zo behoort een gerechtshof zich, ons inziens, niet aan de samenleving te presenteren. Juist een Paleis van Justitie herbergt in het gerechtshof een van de pijlers van onze rechtstaat. Daarin zijn transparantie en openheid essentieel. Met het programma van eisen van het Ministerie van justitie en de Rijksgebouwendienst in de hand hebben wij aan de Amsterdamse Prinsengracht een nieuw gerechtshof ontworpen. In ons ontwerp, en het zal niet verbazen, staan dan ook de begrippen transparantie en openheid centraal. Dat begon met de plek, letterlijk de plaatsing van het gerechtshof in het centrum van de stad. Zichtbaar en voelbaar voor iedere burger. En werkt door in het gebouw zelf waarbij in de vormgeving de rechtsgang ook letterlijk een gezicht krijgt.

De examencommissie van de Faculteit der Bouwkunde gaf ons afstudeerproject in 1991 een eervolle vermelding omdat het ‘een voortreffelijk voorbeeld is van ontwerpen als onderzoek. Zoals dit ontwerp in z’n maatschappelijke en culturele context beschouwd werd en is opgebouwd als een veelheid van lagen, toont het zich als werkstuk van uitzonderlijke kwaliteit’. Bij de inzendingen van afstudeerplannen kreeg ons gerechtshof van de jury van de Archiprix een derde prijs. Mijn afstuderen kreeg in datzelfde jaar een bijzondere afronding met de presentatie van ons afstudeerproject in de Arsenale op de Architectuur Biënnale van Venetië. Op het bureau van Studio Huijgens hangt nog altijd trots de imposante maquette die wij maakten van ‘ons’ gerechtshof. In Amsterdam heeft het gerechtshof aan de Prinsengracht inmiddels plaatsgemaakt voor een hotel. Het nieuwe Paleis van Justitie kreeg 25 jaar later haar plaats op een van de eilanden aan het IJ. Het kan verkeren.

Terug naar Delft, deze stad was door mijn studie aan de TU-Delft ruim vijf jaar mijn thuisbasis. Delft als habitat. In 2014 zou ik  er terugkeren als architect. De toenmalige stadsbouwmeester van Delft, Ir. Wytze Patijn, had mijn bureau geselecteerd om mee te doen met de herontwikkeling van de Spoorzone en in het bijzonder de Coendersbuurt. Het was de tijd waarin de financiële crisis het gemeentebestuur van Delft ontvankelijk maakte voor het particulier opdrachtgeverschap. Burgers zouden hier de kans krijgen hun eigen woning te bouwen.

Het was juist de vroegere ervaring in de stad Delft dat ik mij wilde inzetten voor een rehabilitatie van het fenomeen Grachtenhuis. Het kenmerk van deze gebouwen is dat zij bewoond worden door meerdere huishoudens. Dat zij zich als voornaam gebouw presenteren aan de stad. De architectuur van de stad zelf verrijken en in functie veranderbaar zijn. Juist in deze tijd gaat het erom dat mensen elkaar kunnen ontmoeten. Collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO) is een sleutel om de uitbreiding van de stad meer te laten zijn dan een optelsom van gestandaardiseerde eengezinswoningen. In een samenleving waarin het community gevoel meer en meer naar de achtergrond is verdwenen is het een uitdaging om juist nieuwe vormen van samenleving in de stad te maken. Collectiviteiten die elkaar ontmoeten was mijn ambitie.

Voor mij is dat,  wanneer wij kijken naar de binnenstad van Delft, altijd al het wezen van deze stad. In Nieuw Delft heeft Studio Huijgens inmiddels een tweetal CPO-projecten ontwikkeld en opgeleverd. Een derde is in ontwikkeling. Maar daarover later meer ….

Liesbeth Janson, Architect/eigenaar Studio Huijgens